Ik ben op reis, met Miriam, een vrouw die in de wildernis leeft. Ze is enorm vitaal, ondanks dat ze geen vitaal beroep heeft.

We hebben goede schoenen, een rugzak waar al onze weinige bezittingen in passen en een pijl en boog. Zo trekken we dwars door Nieuw Zeeland. Anderhalve meter is hier niks, wij hebben het over duizenden kilometers.

Het klinkt allemaal heel eenvoudig en dat is het in zekere zin ook. We lopen, drinken zelf geplukte kruidenthee, schieten af en toe een biefstuk, bakken deze op een kampvuur en als de zon ondergaat, kruipen we in onze tentjes. WC rollen? Die hebben we hier niet nodig. De kapper ook niet trouwens.

Ik ontmoet de Kiwi. Een vogel die niet kan vliegen en ook nog eens bijna blind is, maar wel gekozen is als nationale mascotte. In Nieuw Zeeland hebben ze een goed werkend diversiteitsbeleid.

Ik spring in ijswater, terwijl ik een oerkreet slaak, en dobber rond alsof ik in een warm bad lig.

Ik zwem met dolfijnen.

Ik eet bonen, met mijn handen, direct uit het blik.

Ik voel me James Cook en ga op zoek naar onontdekte eilanden die naar mij vernoemd kunnen worden.

Net als ik na een lange tocht voor mijn tent zit en geniet van het uitzicht, schrik ik op van een dreigend gebrul in de verte. Ik verroer me niet en probeer onopgemerkt te blijven. Mijn pijl en boog vlak bij de hand. Het gebrul houdt aan en komt steeds dichterbij:

‘Maaaaam, maaaaaam, maaaaam, waar ben je? Kan je helpen met m’n wiskunde?’

En ik ben weer thuis. Ik sla mijn boek dicht, kom tevoorschijn en help Zoon met zijn formules (ondanks mijn belofte om na de middelbare nooit meer iets met wiskunde te doen). Daarna frissen we mijn Frans nog even op.

De rest van de dag zie ik mijn collega’s (of delen van collega’s) via Zoom en elk ander videobelsysteem dat er bestaat. Altijd leuk een collega die net gaapt als zijn camera bevriest of de collega die niet doorheeft dat de camera op haar decolleté gericht staat. Daarna werk ik nog een stapel mails weg.

Morgen ga ik weer op reis. Dit keer met Tim. Hij wilde eigenlijk alleen, maar ik ga stiekem mee. We gaan de Pacific Crest Trail lopen, een meer dan 3000 km lange tocht. Tim heeft alles goed uitgedacht. Van ultralichte tent tot lichtgewicht wandelstokken, die tevens als tentstokken dienen. Hij stuurt dozen met noedels en nieuwe wandelschoenen vooruit, zodat we onderweg altijd genoeg te eten hebben en niet op afgetrapte schoenen hoeven te lopen. Ik heb er nu al zin in.

Ben je ook je dagelijkse wandelrondje zat en toe aan een nieuwe omgeving? Lees dan: ‘Mijn Leven in de Wildernis’ van Miriam Lancewood, ‘Alleen’ van Tim Voors, ‘Het Zoutpad’ van Raynon Winn of ‘De Onwaarschijnlijke Reis van Harold Fry’ van Rachel Joyce.

Zoek wel een plekje in huis waar niemand je kan vinden en je onbereikbaar bent voor gebrul van huisgenoten. Fijne reis!